Teylers Stichting Procedure Prijs Prijsvraag 2018 Prijsvraag 2017 Prijsvraag 2016 Bekroonde Prijsvragen Gesloten Prijsvragen

Prijsvragen Teylers Godgeleerd Genootschap

Procedure en beoordeling

  • Om voor beoordeling van een prijsvraag in jaar n in aanmerking te komen dienen de antwoorden schriftelijk in viervoud te worden ingezonden op een zodanig tijdstip, dat deze vóór 1 mei in het jaar (n+3), in het bezit zijn van Directeuren van Teylers Stichting, Spaarne 16, 2011 CH Haarlem. Antwoorden die na die datum binnengekomen zijn zullen niet in behandeling worden genomen.
  • De antwoorden moeten in het Nederlands, Frans, Duits of Engels zijn gesteld.
  • Ingevolge de bepalingen van Teylers testament mogen zij niet de naam van de auteur vermelden. Zij moeten slechts met een spreuk zijn ondertekend. Bij de inzending dient een verzegeld couvert te zijn ingesloten, met dezelfde spreuk als opschrift en bevattende naam en adres van de schrijver.
  • Opdat de inzenders niet langer dan nodig is in het onzekere blijven van de uitslag van de beoordeling, indien deze niet tot bekroning heeft geleid, dient men, behalve het verzegeld couvert, nog een open couvert toe te voegen, bevattende de naam van een vertrouwenspersoon, met volledig adres, tot wie de Stichting zich eventueel door correspondentie kan wenden.
  • De beoordeling vindt plaats door de leden van het Godgeleerd Genootschap.
  • Deze beoordeling zal binnen zeven maanden na de uiterste datum van indiening in de vorm van een voorstel aan Directeuren van Teylers Stichting worden meegedeeld.
  • Directeuren beslissen daarna binnen een maand, of het antwoord al dan niet bekroond zal worden. Deze beslissing is onherroepelijk.
  • Alle deelnemers aan de prijsvraag zullen direct daarna door Directeuren op de hoogte worden gebracht.

testament

Het testament van Pieter Teyler

bestuur

Het eerste bestuur van Teylers Stichting

Prijs en publicatie

  • De prijs bestaat – indien naar het oordeel van Directeuren de omstandigheden dat gedogen – uit een gouden erepenning op de stempel des Genootschaps geslagen.
  • Verder zullen vakbladen en pers van de bekroning worden verwittigd.
  • Voorts stelt een stichting die onbekend wenst te blijven voor de prijsvraag een bedrag van € 4500 beschikbaar, uit te keren aan de inzenders van door Directeuren bekroonde verhandelingen ter besteding naar eigen keuze.
  • In het algemeen zullen de auteurs zelf voor publicatie van hun werk zorgen, daarbij vermeldende dat het door Teylers Stichting is bekroond. Indien gewenst kan de Stichting daarbij behulpzaam zijn.
  • Redacties van websites, tijdschriften en andere instanties die de aandacht op deze prijsvragen willen vestigen, wordt dringend verzocht eventuele belangstellenden op de wenselijkheid van het aanvragen van de gedetailleerde informatie te wijzen opdat zij aan alle hierboven vermelde bepalingen kunnen voldoen.

ovalezaal

De ovale zaal

Prijsvraag voor het jaar 2018

Gevraagd wordt een verhandeling over het thema ‘Verlichting en religie 2018 – 2028’. De verhandeling dient geschreven te zijn in een voor een algemeen publiek toegankelijke stijl.

Toelichting

Zo’n 50 jaar geleden publiceerde de vermaarde historicus Peter Gay zijn al snel klassiek geworden studie over de Verlichting waarin hij deze interpreteert als een seculariserende kracht in de samenleving (The Enlightenment: an interpretation). Zijn interpretatie heeft geleid tot een debat over het karakter van de Verlichting dat nog altijd niet is verstomd.

Gevraagd wordt een essay waarin een visie wordt ontvouwd op toekomstig onderzoek op het terrein van de Verlichting. Uitgangspunt kan een retrospectieve schets zijn van wat het debat sinds de verschijning van Gay ’s monumentale werk heeft opgeleverd aan inzichten over de Verlichting. Deze schets kan als springplank dienen voor een prospectief betoog over de studie van de Verlichting. In welke richting(en) zou het onderzoek zich in de komende jaren verder kunnen ontplooien? Welke specifieke velden verdienen het om nader geëxploreerd te worden? Met andere woorden, welke ambities zijn te formuleren voor verder onderzoek? Het accent ligt daarbij nadrukkelijk op de relatie tussen Verlichting en religie. Deze accentuering sluit aan bij ideeën van Pieter Teyler van der Hulst, wiens 240e sterfjaar in 2018 wordt herdacht. Zij sluit tevens aan bij de vroege fase van Teylers Godgeleerd Genootschap.

In verband met de prospectieve dimensie van het gevraagde essay het volgende. In de aanloop naar de viering van “Teyler-250” in het jaar 2028 zal het interessant zijn om in Teyler-verband in de een of andere vorm aandacht te besteden aan het thema “Verlichting en religie”. Te denken valt aan een of meer seminars in Teylers Museum. Bij vormgeving en organisatie van een en ander zou, naast Teylers Godgeleerd Genootschap, ook Teylers Tweede Genootschap en Teyers Museum betrokken kunnen worden.

Tot slot: het gevraagde essay dient geschreven te zijn in een vorm en stijl die de tekst toegankelijk maakt voor een geïnteresseerd publiek, zoals bezoekers van Teylers Museum en HOVO-studenten.

Verwacht wordt een afzonderlijke verhandeling die ter publicatie wordt aangeboden dan wel een bundeling van reeds gepubliceerde studies waarvan het merendeel is verschenen in de drie jaren voorafgaand aan 1 mei 2021. In het laatste geval dient men tevens een nog ongepubliceerde, speciaal voor de prijsvraag geschreven, studie toe te voegen waarin de eerdere publicaties in een bredere academische context worden geplaatst.

Documenten

ovalezaal

De ovale zaal

Prijsvraag voor het jaar 2016

Gevraagd wordt een kritische beschrijving en evaluatie van het onderzoek in de laatste vijftig jaar naar het uiteengaan van jodendom en christendom in de eerste eeuwen van onze jaartelling.

Toelichting

Voor een verantwoord begrip van het ontstaan van het christendom als religie naast een niet-christelijk jodendom moeten we weten waar, wanneer, hoe en waarom de twee stromingen uiteengingen. Deze complexe vragen krijgen gemakkelijk, boven hun strikt historische inhoud uit, een extra lading wanneer ze in onze hedendaagse context gesteld worden: doordat christelijk anti-judaïsme in de ogen van velen mede de Shoah heeft geïnspireerd, worden deze historische vragen snel theologisch en moreel ingekleurd. Die inkleuring is begrijpelijk en is voor een deel onvermijdelijk, maar bevordert de helderheid van de discussie niet.

Hoe uiteenlopend er gedacht wordt over het uiteengaan van jodendom en christendom, is goed te illustreren aan de hand van de titels van enkele publicaties over het thema. J.D.G. Dunn publiceerde in 1991 The Partings of the Ways: Between Christianity and Judaism and Their Significance for the Character of Christianity (London: SCM; 22006). In 1992 verscheen bij uitgeverij Mohr Siebeck in Tübingen een bundel met de titel Jews and Christians: The Parting of the Ways, A.D. 70 to 135 (onder redactie van dezelfde J.D.G. Dunn). Bij dezelfde uitgever verscheen in 2003 een bundel The Ways That Never Parted: Jews and Christians in Late Antiquity and the Early Middle Ages (onder redactie van A.H. Becker en A.Y. Reed). De eerste titel suggereert dat er meerdere scheidingen der wegen tussen jodendom en christendom zijn geweest, de tweede dat de periode tussen 70 en 135 cruciaal geweest is voor de scheiding der wegen, en de derde dat de wegen nooit gescheiden zijn.

Een centraal punt in de discussie over de scheiding der wegen is de uitleg geweest van Johannes 9:22, een van de meest bekende (of beruchte) passages uit de vroegchristelijke literatuur over het uiteengaan van joodse volgelingen van Jezus van Nazareth en andere joden: “De joden hadden al besloten dat wanneer iemand hem [Jezus] als messias zou belijden, hij uit de synagoge gezet zou worden.” In zijn invloedrijke studie History and Theology in the Fourth Gospel (New York: Harper & Row, 1968; 3rd ed., Louisville, KY: Westminster John Knox, 2003) verbond J.L. Martyn deze tekst met een passage in de Babylonische Talmoed (Berachot 28b) waaruit men zou kunnen afleiden dat “de zegenspreuk [hier een eufemisme voor vervloeking] over de ketters”, een onderdeel van het joodse Achttiengebed, aan het eind van de eerste eeuw van onze jaartelling ontstaan is; het in Johannes genoemde besluit van de joden zou dan slaan op de formulering van deze zegenspreuk. Anderen hebben daartegen ingebracht, dat de originele “zegenspreuk over de ketters” niet tegen joodse christenen gericht was. Geleerden hebben zich bovendien afgevraagd wie de auteur van het Evangelie van Johannes nu precies bedoelde met “de joden”, wat de status van het genoemde besluit geweest kan zijn, wat “uit de synagoge zetten” inhield, enz.

Het is dus niet erg duidelijk op wat voor scheiding der wegen tussen joden en christenen de passage uit Johannes precies betrekking heeft, en de discussie over deze passage kan als representatief beschouwd worden voor de gehele discussie over de scheiding der wegen tussen jodendom en christendom in de eerste eeuwen van onze jaartelling. Gevraagd wordt daarom een beschrijving en evaluatie van deze discussie in de laatste halve eeuw aan de hand van de werkelijk significante publicaties, met speciale aandacht voor de helderheid van de gebruikte concepten: over welke joden en welke christenen heeft men het? Wanneer kan iemand betiteld worden als “jood” of “christen”, als “joodse christen” of “christelijke jood”? Wat wordt bedoeld met de “scheiding der wegen” tussen joden en christenen? Een dergelijke analyse van de hedendaagse discussie kan wellicht uitmonden in aanbevelingen voor toekomstig onderzoek naar de scheiding der wegen tussen joden en christenen.

Verwacht wordt een afzonderlijke verhandeling die ter publicatie wordt aangeboden dan wel een bundeling van reeds gepubliceerde studies waarvan het merendeel is verschenen in de drie jaren voorafgaand aan 1 mei 2019. In het laatste geval dient men tevens een nog ongepubliceerde, speciaal voor de prijsvraag geschreven, studie toe te voegen waarin de eerdere publicaties in een bredere academische context worden geplaatst.

Documenten

ovalezaal

De ovale zaal

Bekroonde prijsvraag in 2017

In 2014 heeft prof. dr. Marcel Barnard, hoogleraar Praktische Theologie aan de Protestantse Theologische Universiteit te Amsterdam en lid van Teylers Godgeleerd Genootschap, de prijsvraag geformuleerd met de titel: Gevraagd wordt “een onderzoek naar het museum als eigentijds laboratorium voor de queeste naar God”. De leden van het Godgeleerd Genootschap en Directeuren van Teylers Stichting hebben in 2017 een gouden penning toegekend aan Dr. Lieke Wijnia voor de inzending In Pursuit of the Sacred. The Museum as Laboratory in the Contemporary Quest for God. Zij bestaat uit een Preface, vier Essays, en een Epilogue.

penning

De penning

Prijsvraag voor het jaar 2015 (gesloten)

Gevraagd wordt een onderzoek naar het verband tussen monotheïstische religies en geweld met bijzondere aandacht voor de functie en het gebruik van geweldsteksten uit het Oude Testament.

Toelichting

Recente discussies in het publieke debat over religie en geweld sluiten aan bij een al lan-ger durende wetenschappelijke discussie over een mogelijk verband tussen monotheïsti-sche religies met claims van exclusiviteit en menselijk geweld. Kunnen we spreken van religieus gemotiveerd geweld en, meer in het bijzonder, van een geweldsmotivatie die ver-oorzaakt wordt door en gebaseerd is op claims van exclusiviteit van monotheïstische religies?

Vanuit godsdiensthistorisch perspectief is al langer gewezen op een ontwikkeling van de verering van één godheid te midden van andere goden naar de exclusieve claim van het bestaan van één godheid. Deze ontwikkeling lijkt tenminste de periode van de tiende eeuw tot de zesde eeuw v. Chr. te omvatten. Een theoretisch of exclusief monotheïsme zou dan in de zesde eeuw v.Chr. zijn geformuleerd door een naamloze profeet die aanhaakte bij de profeet Jesaja uit de achtste eeuw v. Chr. en daarom in de bijbelwetenschap kortweg wordt aangeduid als Deuterojesaja: “Dit zegt de Heer, Israëls koning en bevrijder, de Heer van de hemelse machten: Ik ben de eerste en de laatste, er is geen god buiten mij.” (Jesaja 44:6; 43,10-11),

In de laatste tijd zijn andere modellen voor het ontstaan van het monotheïsme in het oude Israël voorgesteld, de late oorsprong van het monotheïsme bestreden of juist geradicali-seerd en het exclusieve karakter van het monotheïsme in Israël door vergelijking met na-burige religies gerelativeerd. Ondanks deze detailstudies van een uitermate gevarieerd en complex proces is een concept van monotheïsme als exclusieve verering van één godheid met uitsluiting van andere goden in de theologie- en godsdienstgeschiedenis van joden-dom, christendom en islam dominant geworden.

Deze exclusiviteit werd in ieder geval in delen van de gezaghebbende teksten van de mo-notheïstische tradities met een intolerantie ten opzichte van andere religies verbonden. De hiermee verbonden vragen heeft de Egyptoloog Jan Assmann gethematiseerd met betrek-king tot het Oude Testament, een tekst die als funderend voor jodendom, christendom en islam mag worden gezien. Assmann poneerde een onderscheid tussen primaire (polytheïs-tische) en secundaire (monotheïstische) religies. De monotheïstische religies zouden dan ten opzichte van andere religies de tegenstelling “waar” en “vals” hebben ingevoerd met alle gevolgen van dien (Moses, der Ägypter. Entzifferung einer Gedächtnisspur, 2000). In Nederland is deze gedachte opgenomen door Paul Cliteur (Het monotheïstisch dilemma of de theologie van het terrorisme, 2010). Cliteur legt een direct verband tussen de motivatie van terroristen en de exclusiviteit van geloofsopvattingen. Een verdere ontwikkeling van de wetenschappelijke discussie richt zich ook op apocalyptische teksten en gedachtegoed in relatie tot radicaal geweld en terrorisme, bijvoorbeeld: Steven Weitzman, “Warring against Terror: The War Scroll and the Mobilization of Emotion”, Journal for the Study of Judaism 40 (2009): 213-241; Frances Flannery, Understanding Apocalyptic Terrorism: Countering the Radical Mindset (2015).

Historisch gezien lijkt de gepercipieerde intolerantie van monotheïstische religies te moe-ten worden genuanceerd. Het is daarom de vraag of en zo ja welke relatie er is tussen ge-weldsteksten in de drie tradities van jodendom, christendom en islam en werkelijk uitge-oefend geweld. Welke geleefde contexten kunnen worden verondersteld voor dergelijke teksten? Met andere woorden, welke relatie was er en is er tussen dergelijke teksten en het gebruik ervan? Hierbij kan onder “gebruik” meer worden verstaan dan alleen “gelezen worden”.

Het is niet de bedoeling, dat een essay wordt geschreven met detailkritiek op de gods-diensthistorische reconstructie van het monotheïsme of op detailpunten van de theses van Assmann, Cliteur of anderen. Gevraagd wordt een verhandeling over de plaats en functie van een mogelijke verstrengeling tussen een exclusief, monotheïstisch godsbeeld, geweld-steksten en daadwerkelijk menselijk geweld. Het uitgangspunt van een dergelijke verhan-deling kunnen wetscorpora, een exemplarisch narratieve lijn of een historische vertelling in het Oude Testament zijn met aandacht voor de latere omgang met dergelijke teksten (re-ceptiegeschiedenis).

Vanwege de actualiteit van het thema is ook een omgekeerde weg denkbaar. Sinds 9/11 2001 is de publieke discussie over autoritatieve teksten die geweld religieus legitimeren opnieuw opgelaaid. De gevraagde verhandeling zou ook haar uitgangspunt in een heden-daagse casus kunnen nemen om van daaruit de weg terug naar de brontekst in te slaan.

Verwacht wordt een afzonderlijke verhandeling die ter publicatie wordt aan-geboden dan wel een bundeling van reeds gepubliceerde studies waarvan het merendeel is verschenen in de drie jaren voorafgaand aan 1 mei 2018.
In het laatste geval dient men tevens een nog ongepubliceerde, speciaal voor de prijsvraag geschreven, studie toe te voegen waarin de eerdere publicaties in een bredere academische context worden geplaatst.

Documenten

  • De Nederlandse brochure van de Prijsvraag 2015;

ovalezaal

De ovale zaal